Geen schutse om te schuilen

Geen schutse om te schuilen,
geen huis, geen onderdak,
een herberg om te huilen,
een vuile voederbak –
zo is tot ons gekomen
een kindje in een stal;
hoe kan het dromen dromen?
De wind waait overal.

Geen mens om mee te leven,
geen warme hand die streelt,
geen geld om uit te geven,
geen brood dan wat Hij deelt,
geen graan om op te rapen,
geen proviand op reis,
geen steen om op te slapen –
o God, kyrie eleis!

Om zwervers te bereiden
een plaats, een vaderhuis,
een woning en een weide,
een moederstad, een thuis,
daartoe is Hij gekomen,
daartoe is Hij gegaan –
en nóg waait door de bomen
de Geest, bij Hem vandaan.

Om ons een huis te bouwen
voor bunker en barak,
om vleugels te ontvouwen
voor mensen zonder dak,
daartoe is Hij geboren,
daartoe waait nog de wind –
wie oren heeft, die hore
het roepen van dit kind.

André F. Troost
Uit: ‘Zingende gezegend’, Boekencentrum, 1995.